Vlaanderen blinkt taaldecreet opGent, Isabelle Bambust - Op 16 april 2013 bracht De Taalsector omstandig verslag uit over het arrest Anton Las in het artikel Europees Hof van Justitie haalt Vlaams taaldecreet onderuit.

Het Vlaams taaldecreet van 19 juli 1973, dat het gebruik van de talen tussen werkgever en werknemer regelt, bepaalde onder andere dat ondernemingen met een exploitatiezetel in het Nederlandse taalgebied de individuele arbeidsovereenkomst in het Nederlands moesten opstellen.

Dat was voor het Europees Hof van Justitie (HvJ EU) een brug te ver.

Het HvJ EU stelde dat de Vlaamse wetgever de beoogde doelstellingen van algemeen belang (sociale inspectie waarborgen, werknemers beschermen, Nederlands stimuleren) ook op een andere manier had kunnen bereiken, bijvoorbeeld door twee versies van de arbeidsovereenkomst te verlangen, de ene in het Nederlands, en de andere in een taal die beide partijen begrijpen.
De uitspraak van het HvJ EU draagt dus een belangrijke boodschap uit wat de evaluatie van de Vlaamse taalwetgeving betreft.

Inmiddels heeft de Vlaamse taalwetgever zijn huiswerk gemaakt. Het Vlaams taaldecreet werd gewijzigd door een decreet van 14 maart 2014, en de veranderingen traden in werking op 2 mei 2014.
   
Zoals aangeraden door het HvJ EU voorziet art. 5 § 2 van het Vlaams taaldecreet nu in de mogelijkheid dat voor individuele arbeidsovereenkomsten bijkomend een rechtsgeldige versie wordt opgemaakt in een door de contractspartijen begrepen taal.

Ik wil uw aandacht vestigen op drie eigenaardigheden in het gewijzigde Vlaams taaldecreet.


Een eerste eigenaardigheid is dat - in tegenstelling tot art. 5 § 3 van het taaldecreet - de nieuwe regeling niet voor alle talen geldt. Het moet gaan om een officiële taal van de Europese Unie (EU) of een officiële taal van een van de lidstaten van de Europese Economische Ruimte (EER) die geen lid zijn van de EU.

In zijn advies verantwoordt de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen (SERV, het overleg- en adviesorgaan waar de Vlaamse werkgevers en werknemers elkaar ontmoeten) de taalbeperking als volgt: “(…) [E]r [bestaat] een verschil tussen de individuele en collectieve communicatie. Wat betreft de individuele communicatie met de werknemer kan enkel een vertaling in de officiële Europese talen, wat betreft de collectieve communicatie kan een vertaling in elke taal. Het is de keuze geweest om de aanpassingen aan het decreet zo minimaal mogelijk te houden. Bijgevolg werd enkel de mogelijkheid voorzien om een andere officiële Europese taal te hanteren bij de individuele arbeidsovereenkomst. Gezien het beperkt aantal betrokken partijen is de communicatie in deze context eenvoudiger. De mogelijkheid die reeds was opgenomen in het Taaldecreet om bij collectieve communicatie te voorzien in een vertaling wordt via dit ontwerp van decreet niet gewijzigd. Dit blijft mogelijk in de gevallen waar de context hiertoe noopt.”

Ik begrijp dit onderscheid niet. De kwestie is volgens mij niet dat de individuele communicatie eenvoudiger zou zijn en dat zij daardoor tot de vermelde Europese talen beperkt kan blijven. Het doel is te streven naar een gemeenschappelijke taal die wordt begrepen door de werknemer en door de werkgever. Die gemeenschappelijke taal kan wel degelijk een taal zijn die geen officiële taal van de EU of van de EER is.

Ook de Raad van State, door de Vlaamse wetgever om zijn advies gevraagd, vraagt zich af “waarom de mogelijkheid om een bijkomende rechtsgeldige versie van de arbeidsovereenkomst op te stellen beperkt wordt tot een aantal talen.” De Vlaamse wetgever repliceert dat het vrij verkeer van de Europese werknemer gegarandeerd moet worden en koppelt daaraan enkel “de officiële taal van zijn eigen (of een andere) lidstaat.” De Vlaamse wetgever lijkt er volgens mij ten onrechte van uit te gaan dat alle Europese burgers een Europese officiële taal beheersen.

Verder brengt de Vlaamse wetgever de beperking van de te gebruiken talen in verband met de haalbaarheid van de vereiste controle op de arbeidsovereenkomsten en met het feit dat de EU ook een beperkt aantal werktalen heeft. Naar mijn mening is er geen probleem met de controle – die kan sowieso plaatsvinden omdat de arbeidsovereenkomst ook in het Nederlands zal bestaan. Het beperkt aantal werktalen van de EU vormt geen geldig vergelijkingspunt, want het gaat daar om werktalen en niet om talen die gebruikt worden om de rechten van personen finaal te beschermen.

De Vlaamse wetgever zet tot slot nog eens drie argumenten voor een taalbeperking tot de officiële talen binnen de EU/EER op een rijtje en het is opmerkelijk dat daarbij opnieuw de drietand “cohesie – welzijn van de zwakste partij – taaldiversiteit” op de voorgrond komt.


Een tweede eigenaardigheid van het gewijzigd Vlaams taaldecreet betreft het personele toepassingsgebied. Er worden namelijk voorwaarden gesteld aan de persoon van de werknemer. Hij moet een woonplaats hebben op het grondgebied van een van de andere lidstaten van de EU of een van de lidstaten van de EER. Of hij moet zijn woonplaats in België hebben en gebruik hebben gemaakt van zijn Europese recht op vrij verkeer van werknemers of van de vrijheid van vestiging. Of hij moet onder het vrij verkeer van werknemers op grond van een internationaal of supranationaal verdrag vallen.

De oude taalregeling blijft onverkort van toepassing op zuiver interne (i.e. Belgische) situaties. Het ontwerp van decreet stelde dat ook “bij tewerkstelling van derdelanders (personen die de nationaliteit hebben van een land dat niet tot de EU/EER behoort)” de oude taalregeling volledig van toepassing blijft. Dit laatste nationaliteitscriterium lees ik echter niet uitdrukkelijk in het gewijzigd Vlaams taaldecreet zelve.


Een derde eigenaardigheid is art. 5 § 4 van het Vlaams taaldecreet: “Als er een verschil bestaat tussen de Nederlandstalige versie en de anderstalige versie (…), heeft de Nederlandstalige versie van het document voorrang.”

Deze regel heeft volgens de Vlaamse wetgever als doel “een efficiënte en effectieve controle door inspectie” en “de bescherming van de Nederlandse taal in het Nederlandse taalgebied.”

Daarmee legt de wetgever het advies van de Raad van State naast zich neer. De Raad van State meent namelijk “dat het in het licht van het evenredigheidsbeginsel niet aanvaardbaar is dat wordt bepaald dat één van de twee talen voorrang geniet wanneer er verschillen bestaan tussen de versies in de talen waarin de arbeidsovereenkomst is opgesteld.”
Juist omdat de Vlaamse wetgever zelf verwijst naar de werktalen van de EU, wil ik er hier toch even op wijzen dat art. 55 van het Verdrag betreffende de Europese Unie voorschrijft dat de teksten van het verdrag in elk van de Europese officiële talen gelijkelijk authentiek zijn.

Lieve vertalers en tolken, wat denkt u er zelf over?


Isabelle Bambust (Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.) is onderzoeker-assistent aan de rechtsfaculteit van de Universiteit Gent. Sinds 2012 verricht zij onderzoek rond de taalbescherming bij de grensoverschrijdende mededeling van gerechtelijke documenten.


Klik hier om dit artikel met uitgebreid notenapparaat te lezen (pdf).