Sluipmoord op de BNTL

Onderstaande bijdrage is een opiniestuk van professor Piet J. Verkruijsse (Universiteit Amsterdam) over de ontwikkelingen aangaande de BNTL (Bibliografie Nederlandse Taal- en Literatuurwetenschap). Eerder berichtten we al over die ontwikkelingen en ook over de studiedag van 14 januari 2005 waarnaar Piet Verkruijsse verwijst. De studiedag ging over de vraag hoe de ontsluiting van de Nederlandse taal- en literatuurstudie op de best mogelijke wijze kan worden georganiseerd. Dit opiniestuk verscheen eerder in Neder-L, elektronisch tijdschrift voor de neerlandistiek, van 17 januari.

Neerlandici die hopen op een leuke werkkring bij de Bibliografie voor de Nederlandse Taal- en Literatuurwetenschap (BNTL) kunnen dat in de toekomst vergeten: de beste vakbibliografie ter wereld kan het voortaan doen met een "deskundige". Sterker nog: de vakbibliografie zal geen bibliografie meer zijn, maar een soort grabbelton met vooral digitale teksten, juist op het moment dat de DBNL de koppeling heeft gemaakt vanuit de auteurspagina's met de nu nog betrouwbaar geachte bibliografische gegevens uit de BNTL (zie elders in dit nummer).

Dit moet de conclusie zijn van de bijeenkomst Rondetafel BNTL, georganiseerd door de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde (KANTL) in Gent op vrijdag 14 januari 2005, over de beroering die is ontstaan omtrent de "modernisering" van en de bezuinigingen op de BNTL. Naar aanleiding van het bericht dat de moderne taalkunde uit de BNTL verwijderd zou worden - inmiddels tegengesproken in een brief van prof. dr. Wiljan van den Akker (zie www.neder-l.nl/bulletin/2005/01/050107.html) - toonden prof. dr. Marcel De Smedt (KU Leuven), Lic. Timothy Colleman (Gent) en prof. dr. Willy Vandeweghe (Hogeschool Gent) ieder op hun wijze en vanuit hun specialismen aan dat de andere, internationale taalkundige bibliografieën dat gat absoluut niet dichten. Prof. dr. Johan Koppenol (VU/UvA) wees er (nog eens) op dat de BNTL een bibliografie is waarop de meeste andere vakgebieden jaloers zijn. Drs. Marcus de Schepper (Bureau BNTL KB Brussel) schetste de geschiedenis van de BNTL als (voorbeeldige) bibliografische onderneming. Drs. Saskia de Vries (directeur-uitgever Amsterdam University Press) gaf haar visie op de toekomst van wetenschappelijk publiceren.

In de middagsessie was het woord aan dr. Henk Wals, directeur van het Constantijn Huygens Instituut voor tekstedities en intellectuele geschiedenis (binnenkort kortweg: Huygens Instituut), waar de BNTL ondergebracht wordt, en aan dr. Karina van Dalen-Oskam van nu nog de afdeling Neerlandistiek van het Nederlands Instituut voor Wetenschappelijke Informatiediensten (NIWI), dat opgedoekt wordt. Onder leiding van prof. dr. Ludo Simons vond daarna een debat plaats met referenten en publiek.

Het begin van dat debat stond geheel in het teken van de vernieuwingen op het gebied van wetenschappelijk publiceren en had dus niets te maken met de core bussiness van de BNTL, het bibliograferen. Bibliografen is het immers om het even hoe een publicatie er uitziet: gestencild, gedrukt of digitaal, al dan niet on demand gepublished. Maar in BNTL-kringen blijkt er al een paar jaar nagedacht te worden over deze digitale revolutie. En waarom? "Het aantal publicaties in de neerlandistiek neemt elk jaar toe en steeds meer onderzoeksmateriaal komt beschikbaar via het Internet. Voortgaan op de traditionele weg zal onherroepelijk leiden tot achterstand en kwaliteitsverlies", aldus Wiljan van den Akker in zijn brief van 22 december 2004, gericht aan allen die een protestbrief aan de KNAW hadden gestuurd.

Op zich is er natuurlijk niets tegen technische vernieuwingen. Alles wat machines automatisch kunnen doen, moet je omhelzen. Om die vernieuwingen mogelijk te maken, stelt de KNAW zelfs 2 komma zoveel fte ter beschikking gedurende een paar jaar om software te ontwikkelen of te implementeren die automatisch samenvattingen en tekstclassificatie genereert. Er komen hyperlinks naar de teksten van beschreven publicaties en naar de NCC. Tot zover allemaal prachtig. Maar dan: omdat dus alles met minder mensen moet, komt er ook een "invoermodule [...] waardoor auteurs, editeurs, uitgevers en onderzoekers zelf titelbeschrijvingen en volledige tekst aan de BNTL kunnen toevoegen; dit proces wordt gemonitord door de BNTL-redactie", aldus het bericht van Wals en Van Dalen-Oskam van 6 november 2004.

Dit is de bibliografische wereld op z"n kop. Omdat er geen of wellicht nog een bibliograaf (een vak-neerlandicus is nog geen bibliograaf) aan de BNTL verbonden blijft, moet iedereen maar zelf zijn of haar spullen erin stoppen en de twee documentalisten (geen neerlandici) moeten dan beoordelen of dat allemaal wel klopt. Bovendien gaat de BNTL bepalen wie wel en niet tot de invoermodule toegelaten worden door middel van screening. Ik neem aan dat medewerkers aan universiteiten zonder meer een password krijgen, maar hoe zit het met uitgevers en individuele publicisten? Moeten die twee documentalisten en die ene neerlandicus bepalen wie er wel en niet inkomt? Het historisch overzicht van De Schepper moet juist tot het inzicht leiden, dat dat niet werkt. In de begintijd van de BNTL werden medewerkers gerekruteerd aan diverse universitaire instellingen die toen nog met de hand kaarten invulden die centraal werden verwerkt. Dat werd een zodanige chaos - enerzijds door de variatie in de gegevens en anderzijds omdat sommigen het al gauw lieten afweten - dat het veel efficiënter was om alles door een centrale redactie te laten excerperen en beschrijven.

Als de neerlandistiek zoveel publicaties afscheidt dat dat door de huidige redactie (5 komma zoveel) niet meer behapt kan worden, zou de conclusie van de KNAW toch moeten zijn, dat wellicht door het invoeren van technische vernieuwingen geen achterstanden gaan optreden. Maar integendeel: de KNAW trekt de conclusie dat het wetenschappelijk personeel ook wel tot een teruggeschroefd kan worden (publish and perish!). De missie van de KNAW (zie de website http://www.knaw.nl/) is toch de volgende: "de zorg om de kwaliteit van de wetenschapsbeoefening in Nederland. Fundamenteel onderzoek vormt de bron van het toegepast onderzoek van morgen en daarmee van de toepassingen van overmorgen". Het is wel droevig te moeten vaststellen dat een neerlandicus als directeur Instituten Geestes- en Sociale Wetenschappen de BNTL als (vak)bibliografie de nek omdraait.
 
De BNTL in de nieuwe opzet zal immers geen aanspraak meer kunnen maken op het predikaat "bibliografie", laat staan "vakbibliografie", en dat is rampzalig bij opleidingen die in steeds minder tijd studenten het metier moeten leren. Ten tijde van de oprichting van de BNTL was het de bedoeling dat de BNTL een internationale vakbibliografie zou worden (alle literatuur over de Nederlandse taal- en literatuurwetenschap, in welke taal en waar dan ook gepubliceerd), actueel en retrospectief (de lopende productie bijhoudend en terugwerkend in de tijd tot in de 18e eeuw), primair (alle literatuur via autopsie beschrijvend), binnen de gestelde grenzen naar compleetheid strevend, annoterend (via decimale codering en trefwoorden).

Wat blijft daarvan over in de nieuwe opzet? Niets. Alleen een vaste lijst met de belangrijkste vaktijdschriften (hoe groot die lijst is, is vooralsnog onduidelijk) - en daar is intussen de moderne taalkunde ook weer goedgunstig toegelaten - zal gedepouilleerd worden. En die tijdschriften zouden dan zelf nog een handje kunnen helpen door het toevoegen van automatisch te doorzoeken abstracts van de artikelen. Als die er niet zijn, is het zorg voor de auteurs om een zodanige titel voor hun artikel te verzinnen dat daarin alle relevante trefwoorden voorkomen, want de twee documentalisten gaan dus alleen titelbeschrijven en niet inhoudelijk ontsluiten. Verondersteld mag overigens worden, dat juist die allerbelangrijkste tijdschriften nog wel regelmatig doorgenomen worden door de vakgenoten; het gaat juist om het signaleren en beschrijven van bijdragen in de minder voor de hand liggende tijdschriften. De neerlandici extra muros zullen hier niet blij mee zijn.

De retrospectieve bibliografie kan de neerlandistiek verder helemaal vergeten. En dat is des te merkwaardig omdat er wel plannen bestaan voor een BATL, een BNTL voor het Afrikaans! En ook de BFTL, de BNTL voor het Fries lijkt buiten schot te blijven. Compleetheid is niet meer aan de orde, enerzijds door concentratie op een vaste lijst tijdschriften, anderzijds omdat de inhoud afhankelijk wordt van wat er via de invoermodule door diverse personen in gestopt wordt. De moderne snufjes van automatisch betrefwoorden en samenvatten, en doorlinken naar
digitale publicaties en de centrale catalogus moeten zo oogverblindend werken dat de neerlandistiek de kleren van de keizer gaat zien. En diezelfde neerlandistiek ziet dan niet dat het belangrijkste apparaat dat haar ter beschikking staat om zeep geholpen wordt, druk als ze het tegenwoordig heeft met zich af te vragen of ze überhaupt nog wel bestaat. De Nijmeegse emeritus hoogleraar taalkunde M.C. van den Toorn sprak in 1996 zijn diepe verontrusting uit over het teloorgaan van "De eenheid van de neerlandistiek" (Nijmegen: Vantilt 1996). Fred Weerman, de Amsterdamse hoogleraar taalkunde, aanvaardt in zijn inaugurele rede van 2002 "de explosie van de neerlandistiek" als een feit (Amsterdam: Vossiuspers, 2002). Het jongste themanummer van het Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde (jrg. 120 (2004), nr. 4) gaat over de "toekomstperspectieven in de studie van de Nederlandse letterkunde". Na het exploderen van de taalbeheersing en de taalkunde maken de
historisch- en modern-letterkundigen zich op om definitief toe te treden tot het almaar groeiende leger van de cultuurhistorici. En als iedereen cultuurhistoricus wordt, is er geen bibliografie meer nodig en mogelijk, want dat zou dan de universele bibliografie moeten zijn en dat dat een onmogelijke klus is, heeft de geschiedenis bewezen.
 
De managers van de KNAW kun je een vooruitziende blik niet ontzeggen. Zij hebben zien aankomen dat de neerlandistiek zichzelf zou opblazen en dat er dus geen vakbibliografie meer nodig zou zijn. Vervolgens laat je onder het etiket "vernieuwing" een proefballon op met de mededeling dat er geen monografieën meer gebibliografeerd gaan worden, dat er alleen nog een standaard lijstje tijdschriften wordt geëxcerpeerd en dat de moderne taalkunde wordt geschrapt. Dat laatste roept zoveel weerstand op, dat zelfs de hoogleraren taalkunde per gemeenschappelijke brief in het geweer schieten. Onmiddellijk wordt daaraan toegegeven: ok, dat lijstje taalkundetijdschriften mag best wel. Iedereen haalt opgelucht adem over zoveel goedheid en gaat over tot de orde van de dag.

Het is dan natuurlijk niet meer nodig om nog naar de voorlichtingsbijeenkomst van de KNAW te gaan (op vrijdag 21 januari om 15.00 uur in het Trippenhuis, Kloveniersburgwal 29, Amsterdam), want de BNTL is immers gered. Nee dus. Wat de neerlandistiek - als die nog bestaat - zou moeten eisen, is een voortzetting van de BNTL zoals ze bedoeld is, voorzien van voldoende deskundig personeel en daarbij geholpen door wat er tegenwoordig allemaal technisch mogelijk is om de lopende productie bij te houden en om eindelijk eens werk te maken van het retrospectieve gedeelte. En wat we erbij zouden moeten eisen, is uitbreiding van de BNTL met artikels uit week- en dagbladen betreffende de historische periode, dus naast de moderne LiteRom een historische LiteRom. Tienduizenden waardevolle knipsels over historische letterkunde (bijvoorbeeld die van de indertijd al vermoorde afdeling DNL in Amsterdam) liggen te vergaan in ladenbakken. Het Letterkundig Museum wil, mag en kan ze niet opnemen, want daar begint de literatuur pas bij 1750.

En dan nog wat. Is het sinds het verdwijnen van het kaartsysteem van het Letterkundig Museum/AMVC niemand opgevallen dat de neerlandistiek niet beschikt over de subjectieve bibliografie van het vakgebied? Met andere woorden: de zogenaamde primaire literatuur wordt door niemand en nergens bijgehouden. Hoe zit het met al die drukken, uitgaven, herdrukken en oplagen van de teksten die toch ons object van onderzoek zijn? Zullen we vrijdag ook eens voorzichtig vragen of de KNAW nog een paar fte overheeft voor dit werk? Ik misgun de Fryske Akademy niet de 33,1 fte wp (zie jaarverslag 2003: www.knaw.nl/organisatie/pdf/jv_2003.pdf), maar de eerste taal van Nederland mag toch ook wel enige aandacht hebben, of moeten we voor de primaire behoeften ook zo langzamerhand een beroep doen op de extramurale neerlandistiek?

P.J. Verkruijsse

(P.J. Verkruijsse - 26/1/2005)

We respecteren je privacy.
Door op deze website te surfen aanvaard je functionele en analytische cookies, bedoeld om de site goed te laten werken. Hier geen trackingcookies.